Molens in Vlaanderen

‘Wie niet wit wil worden, moet uit de molen blijven’. Zowat duizend jaar geleden bouwden Vlaamse ambachtslui op een royaal door wind gestreeld plekje de eerste windmolen. Kloeke en dampende boerenpaarden trokken toen al karrenvrachten tarwe en gerst naar de vele honderden watermolens.

De molenaar was tot ongeveer 150 jaar geleden een uiterst belangrijke schakel in de voedselvoorziening van zowel mens als dier. Zonder molen eeuwenlang geen dagelijks brood.

Molens waren indertijd meestal eigendom van rijke heren en abdijen. Die waren ‘meesters’ over de wind die over het land blies en over het water dat in de beken stroomde. De mulder kreeg een scheploon, een praktijk die hem zijn kwalijke reputatie van dief bezorgde, ook al omdat hij het gewicht in ‘mulderslatijn’ op de zakken schreef.

Deze ‘kathedraal van te lande’ was zelfs een Vlaams exportproduct. In 1190 sleurde Filips van den Elzas vermoedelijk onderdelen van een staakmolen mee naar het Heilig Land om er met wind graan te malen voor zijn krijgslieden. Zelfs de poldermolen, waarmee in Nederland honderden hectaren land werden drooggelegd, werd heel waarschijnlijk in Gent bedacht.

Door de opkomst van industriële maalderijen vanaf het begin van de 19de eeuw verdwenen molens geleidelijk uit steden en dorpen. Vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw groeide gelukkig weer de belangstelling voor dit kostbaar erfgoed. Molens worden tegenwoordig weer gerestaureerd en bemalen door vrijwillige molenaars, niet enkel door stoere mannen met baarden en op klompen, maar ook door vrouwen met lef.

In deze lezing komen uiteraard de geschiedenis van de ambachtelijke molen en de vele toepassingen ervan aan bod. Minstens evenveel aandacht wordt geschonken aan de toch wel bijzondere plek van de molen in onze maatschappij, die wordt weerspiegeld in de prominente plaats die hij kreeg in schilderijen, verhalen, liedjes, gezegden en volksgebruiken.

Terug naar overzicht